Hand

noun
hand
A1

Hand (de) betekent „hand”. Het meervoud is onregelmatig: die Hände, met umlaut. Vrouwelijk; genitief/datief enkelvoud: der Hand, datief meervoud: den Händen. Veel gebruikt in uitdrukkingen en bij handelingen met de hand.

Voorbeelden

Der Schüler hob die Hand, weil er eine Frage stellen wollte, obwohl die Stunde fast vorbei war.
De leerling stak zijn hand op, omdat hij een vraag wilde stellen, hoewel de les bijna voorbij was.
Sie hob die Hand, um eine Frage zu stellen.
Ze stak haar hand op om een vraag te stellen.
Ich wasche meine Hände.
Ik was mijn handen.

Details

MeervoudHände

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedie Handdie Hände
genitiveder Handder Hände
dativeder Handden Händen
accusativedie Handdie Hände

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je je eigen hand voor die iets vasthoudt; het woord is hetzelfde als in het Engels
👂Klinkt als Engels 'hand' — hetzelfde woord, dezelfde betekenis
⚧️Die Hand — denk aan 'die' als een klein hoedje op de H (vrouwelijk)

Opmerkingen

Veelvoorkomend onregelmatig meervoud (die Hände). Wordt zowel gebruikt voor het lichaamsdeel als voor de wijzer van een klok (die Hand einer Uhr).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek