noun
handdoek
A2
Handtuch betekent ‘handdoek’ of ‘doek om je af te drogen’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Handtuch; meervoud: Handtücher, met umlaut. Regelmatige verbuiging. Een alledaags voorwerp om handen of lichaam af te drogen.
Voorbeelden
Die Schwimmerin suchte ihr Handtuch, nachdem sie aus dem Wasser gestiegen war.
De zwemster zocht naar haar handdoek nadat ze uit het water was gekomen.
Bitte leg das Handtuch auf den Stuhl.
Leg de handdoek alstublieft op de stoel.
Bitte nehmen Sie ein frisches Handtuch.
Neem alstublieft een schone handdoek.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een handdoek voor die over een leuning hangt met het label ‘Handtuch’.
Handtuch klinkt als ‘hand-took’ — je neemt het met je hand.
das Handtuch — denk aan ‘das’ bij veel onzijdige voorwerpen zoals ‘das Buch’, ‘das Handtuch’.
Opmerkingen
Meervoud met umlaut: Handtücher. Veelgebruikt huishoudelijk voorwerp.