noun
hamer
B1
Hammer (m.) betekent „hamer”, het gereedschap om spijkers in te slaan of iets kapot te slaan. Mannelijk zelfstandig naamwoord: der Hammer; meervoud: die Hämmer. In het meervoud komt een umlaut voor. In de spreektaal kan ein Hammer ook „iets geweldigs” betekenen.
Voorbeelden
Ich brauche einen Hammer, um den Nagel einzuschlagen.
Ik heb een hamer nodig om de spijker in te slaan.
Mit dem Hammer schlug er den Nagel in die Wand.
Met de hamer sloeg hij de spijker in de muur.
Der Tischler nahm den Hammer, weil er das wackelige Regal schnell befestigen musste.
De timmerman pakte de hamer, omdat hij de wiebelige plank snel moest vastzetten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een zware hamer voor die een spijker inslaat.
hetzelfde als Engels ‘hammer’ — makkelijk te onthouden.
der — denk aan ‘der Mann’ (mannelijk); beeld je een bouwvakker met een hamer in.
Opmerkingen
Meervoud met umlaut: Hämmer. Veelgebruikt gereedschap in huis en op de bouw.