verb
vasthouden, stoppen, houden
A1
halten is een sterk, onregelmatig werkwoord met betekenissen als „vasthouden”, „tegenhouden” en „bewaren”. Perfekt met haben: gehalten. Tegenwoordige tijd: du hältst, er hält; verleden tijd: hielt. Ook reflexief: sich halten, bv. sich an Regeln halten = zich aan regels houden.
Voorbeelden
Ich habe das Buch gehalten.
Ik hield het boek vast.
Was hältst du von der Idee?
Wat vind je van het idee?
Der Bus hält an der nächsten Haltestelle.
De bus stopt bij de volgende halte.
Details
Ezelsbruggetjes
Imagine gripping something tightly to 'hold' it; also a car coming to a 'halt'.
Think of 'halt' in English — similar root meaning to stop or hold.
Opmerkingen
Kan transitief worden gebruikt (vasthouden), intransitief (stoppen) en wederkerend (sich halten = zich gedragen of zich aan iets houden). Klinkerwisseling in de tegenwoordige tijd: er hält.