verb
reizen
A1
reisen is een regelmatig werkwoord: ‘reizen’ of ‘op reis gaan’. Het is niet scheidbaar en niet wederkerig. In de voltooide tijd gebruikt het sein: ich bin gereist. Voltooid deelwoord: gereist; tegenwoordig deelwoord: reisend. Veelgebruikt voor reizen en verplaatsingen.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich bin viel gereist.
Ik heb veel gereisd.
Die Kollegen reisten nach Berlin, weil dort die Konferenz stattfand.
De collega's reisden naar Berlijn omdat daar de conferentie plaatsvond.
Sie reiste um die Welt.
Ze reisde de wereld rond.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je een koffer voor die over een kaart rolt — die beweging is „reisen”.
Klinkt als „rising” — denk aan bewegen/reizen.
N/A
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Reisen gebruikt in de voltooide tijden meestal het hulpwerkwoord „sein” (er ist gereist). Het is een onovergankelijk werkwoord en beschrijft vaak beweging van de ene plaats naar de andere. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.