kommen

verb
komen, aankomen
A1

kommen betekent „komen” of „aankomen”. Het is een onovergankelijk werkwoord van beweging, sterk en onregelmatig: Präteritum kam, Partizip II gekommen. In de voltooide tijd gebruikt het sein: ich bin gekommen. Niet wederkerig en niet scheidbaar.

Voorbeelden

Er kam gestern Abend.
Hij kwam gisteravond.
Ich komme aus Deutschland.
Ik kom uit Duitsland.
Der Gast kam erst nach dem Essen, weil sein Flug Verspätung hatte.
De gast kwam pas na de maaltijd aan, omdat zijn vlucht vertraging had.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingeno → a (Präteritum: kam)

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es kommt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es kam
Perfekter/sie/es ist gekommen

Ezelsbruggetjes

👁️mensen lopen naar je toe — ze komen dichterbij
👂klinkt als het Engelse ‘come on’ (kommen)

Opmerkingen

Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn in normaal gebruik niet van toepassing (het passief wordt normaal niet gevormd bij zuiver onovergankelijke werkwoorden). Passieve vermeldingen in de vervoegingstabel zijn daarom gemarkeerd als ‘niet van toepassing’.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichkomme
dukommst
er/sie/eskommt
wirkommen
ihrkommt
sie/Siekommen
ichkomme
dukommest
er/sie/eskomme
wirkommen
ihrkommet
sie/Siekommen
ichkäme
dukämest
er/sie/eskäme
wirkämen
ihrkämet
sie/Siekämen
dukomm!
ihrkommt!
Siekommen!