verb
komen, aankomen
A1
kommen betekent „komen” of „aankomen”. Het is een onovergankelijk werkwoord van beweging, sterk en onregelmatig: Präteritum kam, Partizip II gekommen. In de voltooide tijd gebruikt het sein: ich bin gekommen. Niet wederkerig en niet scheidbaar.
Voorbeelden
Er kam gestern Abend.
Hij kwam gisteravond.
Ich komme aus Deutschland.
Ik kom uit Duitsland.
Der Gast kam erst nach dem Essen, weil sein Flug Verspätung hatte.
De gast kwam pas na de maaltijd aan, omdat zijn vlucht vertraging had.
Details
Ezelsbruggetjes
mensen lopen naar je toe — ze komen dichterbij
klinkt als het Engelse ‘come on’ (kommen)
Opmerkingen
Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn in normaal gebruik niet van toepassing (het passief wordt normaal niet gevormd bij zuiver onovergankelijke werkwoorden). Passieve vermeldingen in de vervoegingstabel zijn daarom gemarkeerd als ‘niet van toepassing’.