Halle

noun
hal, grote hal
A1

Halle (v.) betekent ‘hal’, ‘grote overdekte ruimte’ of ‘paviljoen’, bijvoorbeeld een sporthal of tentoonstellingshal. Meervoud: Hallen. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord met regelmatige verbuiging. Vaak gebruikt bij concerten, beurzen, fabrieken en ook voor een entreehal.

Voorbeelden

Die Konzerte finden in der Halle statt.
De concerten vinden plaats in de zaal.
Die Sporthalle ist am Wochenende für die Öffentlichkeit zugänglich.
De sporthal is in het weekend toegankelijk voor het publiek.
Die Messe ist in einer großen Halle.
De beurs is in een grote hal.

Details

MeervoudHallen

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativedie Halledie Hallen
genitiveder Halleder Hallen
dativeder Halleden Hallen
accusativedie Halledie Hallen

Ezelsbruggetjes

👁️een grote binnenruimte met hoge plafonds
⚧️die (vrouwelijk) — veel woorden op -e zijn vrouwelijk

Opmerkingen

Kan verwijzen naar tentoonstellingshallen, sporthallen, enz.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek