noun
hal, grote hal
A1
Halle (v.) betekent ‘hal’, ‘grote overdekte ruimte’ of ‘paviljoen’, bijvoorbeeld een sporthal of tentoonstellingshal. Meervoud: Hallen. Vrouwelijk zelfstandig naamwoord met regelmatige verbuiging. Vaak gebruikt bij concerten, beurzen, fabrieken en ook voor een entreehal.
Voorbeelden
Die Konzerte finden in der Halle statt.
De concerten vinden plaats in de zaal.
Die Sporthalle ist am Wochenende für die Öffentlichkeit zugänglich.
De sporthal is in het weekend toegankelijk voor het publiek.
Die Messe ist in einer großen Halle.
De beurs is in een grote hal.
Details
Ezelsbruggetjes
een grote binnenruimte met hoge plafonds
die (vrouwelijk) — veel woorden op -e zijn vrouwelijk
Opmerkingen
Kan verwijzen naar tentoonstellingshallen, sporthallen, enz.