adverb
halfdags, parttime, voor een halve dag
B1
halbtags betekent ‘een halve dag’ en wordt ook gebruikt in de betekenis ‘parttime’. Het is een tijdelijk bijwoord dat vaak met werkwoorden of openingstijden voorkomt, bv. halbtags arbeiten, halbtags geöffnet. De context bepaalt of het om duur of om deeltijdwerk gaat. Geen vaste prepositie.
Voorbeelden
Die Sekretärin arbeitete halbtags, weil ihre Kinder noch klein waren und sie sie morgens zur Schule bringen musste.
De secretaresse werkte parttime, omdat haar kinderen nog klein waren en ze hen ’s ochtends naar school moest brengen.
Am Samstag arbeite ich nur halbtags.
Op zaterdag werk ik maar een halve dag.
Sie arbeitet halbtags in der Bibliothek.
Ze werkt parttime in de bibliotheek.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kalenderdag voor die in tweeën is gedeeld: de gearceerde helft is „halbtags”.
Klinkt als „half-tags” — denk aan „een halve dag” die apart gemarkeerd is.
Opmerkingen
Gebruikt als bijwoord om aan te geven dat iemand een halve dag werkt of iets gedurende een halve dag doet; kan in de context van werk ook „parttime” betekenen.