noun
plaats, plein, zitplaats
A1
Platz betekent ‘plaats’, ‘plek’, ‘plein’ of ‘zitplaats’. Het is een mannelijk zelfstandig naamwoord: der Platz. Meervoud: die Plätze. Genitief: des Platzes. Veelgebruikte uitdrukkingen: Platz haben, Platz nehmen, kein Platz.
Voorbeelden
Bitte nimm deinen Platz ein.
Neem alstublieft plaats.
Ist dieser Platz noch frei?
Is deze plaats nog vrij?
Die Kinder spielten auf dem Platz, obwohl der Himmel bedrohlich war und die Eltern Bescheid sagten.
De kinderen speelden op het plein, hoewel de lucht dreigend was en de ouders hen waarschuwden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een stadsplein (Platz) voor met mensen die zitten
platz ~ ‘place’ (beide beginnen met P)
der -> stel je een mannelijk standbeeld op het plein voor (mannelijk)
Opmerkingen
Platz heeft meerdere betekenissen (plein, ruimte, zitplaats). De context bepaalt de vertaling.