adjective
half, gedeeltelijk
A1
halb betekent „half”, „de helft” of „gedeeltelijk”. Het kan als bijvoeglijk naamwoord of bijwoord worden gebruikt en is niet vergrotend of overtreffend. Belangrijk in tijdsaanduidingen: halb zwei = 1:30. Komt ook voor in samenstellingen zoals halbherzig.
Voorbeelden
Die Sitzung dauerte nur halb so lange, wie die Organisatoren geplant hatten, obwohl viele Punkte noch offen blieben.
De vergadering duurde slechts half zo lang als de organisatoren hadden gepland, hoewel veel punten nog openbleven.
Das ist nur halb richtig.
Dat is maar gedeeltelijk juist.
Ich habe nur halb gegessen.
Ik heb maar de helft gegeten.
Details
Ezelsbruggetjes
een appel doormidden gesneden
denk aan het Engelse ‘half’
Opmerkingen
Vaak gebruikt als bijwoord of bijvoeglijk naamwoord; wordt meestal niet verbogen in trappen van vergelijking.