verb
groeten, begroeten
B1
grüßen is een regelmatig werkwoord en betekent ‘groeten’ of ‘iemand de groeten doen’. Het staat meestal met een accusatief object: jemanden grüßen. Perfekt met haben: hat gegrüßt. Niet wederkerend en niet scheidbaar. Veel gebruikt in begroetingen en afscheid.
Voorbeelden
Er grüßt seine Nachbarin jeden Morgen.
Hij groet zijn buurvrouw elke ochtend.
Ich habe ihn gegrüßt.
Ik heb hem gegroet.
Ich grüße meine Freunde.
Ik groet mijn vrienden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die zwaait en «Grüß dich!» zegt terwijl hij hallo zegt.
Klinkt als het Engelse «greets» — denk: «hij groet iemand».
Opmerkingen
Veelvoorkomende begroetingen zijn onder meer samenstellingen zoals «Grüß Gott» (regionaal, Zuid-Duitsland/Oostenrijk). Gebruik «grüßen» om mensen formeel en informeel te begroeten.