verb
onderbreken, storen, afbreken
B1
unterbrechen betekent onderbreken, storen of afbreken. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: klinkerverandering e→i in de tegenwoordige tijd (er unterbricht), verleden tijd unterbrach, voltooid deelwoord unterbrochen. Niet scheidbaar, niet wederkerig; perfectum met haben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Der Regen unterbrach das Spiel für mehrere Minuten.
De regen onderbrak de wedstrijd voor enkele minuten.
Der Moderator unterbrach die Debatte, weil ein dringender Anruf einging, sodass die Diskussion für zehn Minuten ruhte.
De moderator onderbrak het debat omdat er een dringend telefoontje binnenkwam, zodat de discussie tien minuten stillag.
Bitte unterbrich mich nicht, wenn ich spreche.
Onderbreek me alsjeblieft niet als ik spreek.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
iemand steekt zijn hand op om een gesprek te onderbreken.
denk aan „under-break” — iets van onderen breken of iemands spraak onderbreken.
werkwoorden hebben geen geslacht
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Onscheidbaar voorvoegsel „unter-” (het werkwoord splitst niet in finiete vormen in de hoofdzin). Sterk (onregelmatig) werkwoord met klinkerwisseling in de tegenwoordige tijd (ich unterbreche — er unterbricht) en verleden tijd „unterbrach”. Gebruikt „haben” als hulpwerkwoord in voltooide tijden.