geben

verb
geven
A1

geben is een sterk, onregelmatig werkwoord met de betekenis ‘geven’. In de tegenwoordige tijd: du gibst, er gibt; verleden tijd: gab; voltooid deelwoord: gegeben. Het staat vaak met datief + accusatief: jemandem etwas geben. Hulpwerkwoord: haben.

Voorbeelden

Sie gab ihm die Hand.
Ze schudde hem de hand.
Kannst du mir das Buch geben?
Kun je me het boek geven?
Ich habe dir mein Wort gegeben.
Ik heb je mijn woord gegeven.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenPresent e -> i in du/er (du gibst, er gibt); preterite gab; participle gegeben.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es gibt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es gab
Perfekter/sie/es hat gegeben

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je iemand voor die een cadeau geeft en «geben» zegt.
👂Klinkt als ‘gabe-in’ — stel je voor dat je een ‘gift’ aan Gabe overhandigt.

Opmerkingen

Onregelmatig in de tegenwoordige tijd (du gibst) en in de verleden tijd (gab); het perfect gebruikt «gegeben» met haben.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichgebe
dugibst
er/sie/esgibt
wirgeben
ihrgebt
sie/Siegeben
ichwerde gegeben
duwirst gegeben
er/sie/eswird gegeben
wirwerden gegeben
ihrwerdet gegeben
sie/Siewerden gegeben
ichgebe
dugebest
er/sie/esgebe
wirgeben
ihrgebet
sie/Siegeben
ichwerde gegeben
duwerdest gegeben
er/sie/eswerde gegeben
wirwerden gegeben
ihrwerdet gegeben
sie/Siewerden gegeben
ichwürde geben
duwürdest geben
er/sie/eswürde geben
wirwürden geben
ihrwürdet geben
sie/Siewürden geben
ichwürde gegeben werden
duwürdest gegeben werden
er/sie/eswürde gegeben werden
wirwürden gegeben werden
ihrwürdet gegeben werden
sie/Siewürden gegeben werden
dugib
ihrgebt
Siegeben