verb
geven
A1
geben is een sterk, onregelmatig werkwoord met de betekenis ‘geven’. In de tegenwoordige tijd: du gibst, er gibt; verleden tijd: gab; voltooid deelwoord: gegeben. Het staat vaak met datief + accusatief: jemandem etwas geben. Hulpwerkwoord: haben.
Voorbeelden
Sie gab ihm die Hand.
Ze schudde hem de hand.
Kannst du mir das Buch geben?
Kun je me het boek geven?
Ich habe dir mein Wort gegeben.
Ik heb je mijn woord gegeven.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die een cadeau geeft en «geben» zegt.
Klinkt als ‘gabe-in’ — stel je voor dat je een ‘gift’ aan Gabe overhandigt.
Opmerkingen
Onregelmatig in de tegenwoordige tijd (du gibst) en in de verleden tijd (gab); het perfect gebruikt «gegeben» met haben.