noun
gebak, banket
B1
Gebäck betekent gebak, bakwaren of zoet broodgebak: koekjes, broodjes, taartjes enz. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Gebäck. Meestal gebruikt als verzamelnaam en dus niet-telbaar; het meervoud Gebäcke bestaat, maar is zeldzaam. Regelmatige verbuiging.
Voorbeelden
Der Bäcker backte frisches Gebäck, weil die Kunden am Morgen mehr Bestellungen aufgegeben hatten.
De bakker bakte vers gebak, omdat de klanten 's ochtends meer bestellingen hadden geplaatst.
Auf dem Frühstückstisch stand frisches Gebäck.
Op de ontbijttafel stond vers gebak.
Ich esse gerne Gebäck.
Ik eet graag gebak.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een etalage van een bakkerij voor vol kleine lekkernijen met het label « Gebäck », zodat je onthoudt dat het om gebakken producten gaat.
das (onzijdig): stel je een neutrale schaal voor met allerlei « das Gebäck » in een bakkerijetalage.
Opmerkingen
Gebäck verwijst meestal naar allerlei gebakken lekkernijen of gebak en kan als verzamelnaam worden gebruikt. Er bestaat een meervoudsvorm (Gebäcke), maar vaak wordt het ongeteld gebruikt.