noun
gebied, streek, regio, terrein
B1
Gebiet (o., meervoud: Gebiete) betekent ‘gebied’, ‘zone’, ‘streek’ of figuurlijk ‘vakgebied’. Onzijdig zelfstandig naamwoord met regelmatig meervoud. Veel gebruikt voor geografische gebieden en thematische domeinen.
Voorbeelden
Das Gebiet ist besonders für Wanderer interessant.
Het gebied is vooral interessant voor wandelaars.
Dieses Gebiet ist für seine schönen Wanderwege bekannt.
Dit gebied staat bekend om zijn mooie wandelpaden.
Die Polizei sperrte das Gebiet ab, weil dort ein Unfall passiert war.
De politie zette het gebied af omdat daar een ongeluk was gebeurd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een kaart voor met een gemarkeerde regio — dat is het Gebiet.
Klinkt als «Gabe-it» — stel je voor dat je iets geeft aan een specifiek gebied.
Das Gebiet — onzijdig (das). Stel je een neutraal kaartlabel «das» op het gemarkeerde gebied voor.
Opmerkingen
«Gebiet» verwijst naar een gebied, regio of territorium en wordt gebruikt in geografische, administratieve en informele contexten. De genitief kan voorkomen als «des Gebiets» of «des Gebietes».