verb
bellen, opbellen
A1
anrufen betekent ‘iemand opbellen’ of ‘telefoneren’. Het is een sterk scheidbaar werkwoord: ruf an, rief an, angerufen. In de voltooide tijd gebruikt het haben. Het voorvoegsel staat aan het einde van de zin, en in de gebiedende wijs wordt het los: Ruf mich an!
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Ich rufe meine Freundin an.
Ik bel mijn vriendin.
Er hat seine Schwester angerufen.
Hij heeft zijn zus gebeld.
Meine Eltern haben angerufen.
Mijn ouders hebben gebeld.
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
een telefoonhoorn met geluidsgolven en ‘ANRUFEN’ erboven
an-rufen — stel je ‘a ring’ voor die belt
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Scheidbaar werkwoord: ich rufe dich an. Onregelmatige/stamverandering in het Präteritum (rief). Gebruikt ‘hat angerufen’ in de voltooide tijden.