noun
gebouw, pand, gebouwcomplex
B1
Gebäude is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Gebäude, meervoud die Gebäude. Het betekent ‘gebouw’, ‘pand’ of ‘bouwwerk’. De meervoudsvorm is gelijk aan het enkelvoud; alleen het lidwoord verandert. Genitief enkelvoud: des Gebäudes.
Voorbeelden
Die Feuerwehr untersuchte das Gebäude, nachdem Rauch gemeldet worden war.
De brandweer onderzocht het gebouw nadat rook was gemeld.
Das höchste Gebäude der Stadt ist ein Wolkenkratzer.
Het hoogste gebouw van de stad is een wolkenkrabber.
Das Gebäude ist neu und hat viele Fenster.
Het gebouw is nieuw en heeft veel ramen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een modern blokvormig gebouw voor met veel ramen, gestapeld als lagen van een taart, met het label «Gebäude».
Klinkt als «guest» + «boy» (ga-BOY-de) — denk aan gasten die naar een gebouw komen.
Onzijdig: onthoud «das Gebäude» — denk dat «das» op een doos lijkt (□), net als een gebouw.
Opmerkingen
Gebäude is onzijdig (das Gebäude). Het meervoud is gelijk aan het enkelvoud (die Gebäude). In geschreven genitief enkelvoud kun je des Gebäudes zien, en de datief is dem Gebäude. Wordt vaak gebruikt voor woon-, commerciële en openbare gebouwen.