noun
herberg, pension, gasthuis
B1
Gasthaus is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Gasthaus, meervoud Gasthäuser. Het betekent herberg, logement of een klein traditioneel etablissement met eten en soms overnachting. Het meervoud krijgt umlaut + -er. Het klinkt traditioneler dan Hotel.
Voorbeelden
Wir übernachten in einem gemütlichen Gasthaus im Dorf.
We overnachten in een gezellig gasthuis in het dorp.
Die Wanderer suchten ein Gasthaus auf, nachdem der Regen stärker geworden war, damit sie trockene Kleidung bekamen.
De wandelaars gingen naar een herberg nadat de regen heviger was geworden, zodat ze droge kleren konden krijgen.
In diesem Gasthaus gibt es traditionelle deutsche Küche.
In dit gasthuis serveren ze traditionele Duitse gerechten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een gezellig gebouw voor met een bord ‘Gasthaus’ waar reizigers verblijven en eten.
Denk aan ‘guest-house’ — Gasthaus = guest house, dus herberg/pension.
Das Gasthaus — onzijdig (das). Stel je een neutraal welkomstbord ‘das’ op de deur voor.
Opmerkingen
Een Gasthaus is meestal een kleinere herberg of pension, vaak met een restaurant. Het verschilt van een hotel in schaal en sfeer.