verb
vrezen, bang zijn voor, duchten
B1
fürchten betekent ‘vrezen’ of ‘bang zijn voor’. Het is een regelmatig zwak werkwoord met haben in het perfectum: habe gefürchtet. Het kan transitief gebruikt worden (fürchten etwas) of wederkerig: sich fürchten vor + datief. De wederkerige vorm drukt angst voor iets uit. De ü blijft behouden.
Voorbeelden
Er fürchtete sich vor der Dunkelheit.
Hij was bang voor het donker.
Viele Menschen fürchten die Höhe.
Veel mensen zijn bang voor hoogtes.
Sie hat sich vor dem Hund gefürchtet.
Ze was bang voor de hond.
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer iemand die van angst achteruitdeinst terwijl een schaduw nadert.
Klinkt als «four-chten» — denk aan «fear» in de eerste lettergreep.
Opmerkingen
Kan transitief worden gebruikt (fürchten etwas) of wederkerend (sich fürchten vor + D). De voorbeelden hier tonen niet-wederkerend gebruik. Voltooid deelwoord: gefürchtet.