verb
functioneren, werken
B1
funktionieren betekent ‘functioneren’, ‘werken’ of ‘goed gaan’. Het is een regelmatig zwak werkwoord, niet scheidbaar en niet wederkerig. Perfekt: hat funktioniert. Vaak gebruikt voor apparaten, systemen of plannen: Das Gerät funktioniert.
Voorbeelden
Alles hat gut funktioniert.
Alles werkte goed.
Mein Wecker funktioniert nicht; er hat den Alarm nicht ausgelöst.
Mijn wekker werkt niet; hij heeft het alarm niet afgegaan.
Der Plan funktionierte nicht.
Het plan werkte niet.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een machine voor met een groen lampje en het label « funktioniert » wanneer hij werkt.
Lijkt op het Engelse « function » + « -ieren » — denk aan « functioneren ».
Opmerkingen
Regelmatig, zwak werkwoord. Vaak onpersoonlijk gebruikt met « es » (bijv. « Es funktioniert »). Het voltooid deelwoord gebruikt « haben » + Partizip II: hat funktioniert. | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.