verb
laten schrikken, schrikken, verrassen
B1
erschrecken is een sterk en onregelmatig werkwoord met twee betekenissen: „iemand laten schrikken” en „schrikken / opschrikken”. Het gebruikt twee hulpwerkwoorden: haben bij transitief gebruik en sein bij intransitief gebruik. Voltooid deelwoord: erschreckt / erschrocken.
Voorbeelden
Der Hund erschreckte die Besucher, als er plötzlich laut bellte.
De hond schrok de bezoekers op toen hij plotseling luid begon te blaffen.
Ich bin durch das Geräusch kurz erschrocken.
Ik schrok even van het geluid.
Der laute Knall erschreckte die Kinder.
De harde knal schrok de kinderen af.
Details
Ezelsbruggetjes
Imagine someone jumping when a loud noise appears — they are startled.
Klinkt als « air-shreck-en » — denk aan een plotselinge Shrek-achtige schrik.
Opmerkingen
erschrecken a deux sens courants : transitif (faire peur à quelqu’un) et intransitif (être effrayé / sursauter). Le parfait peut se former avec haben (transitif : hat erschreckt) ou sein (intransitif : ist erschrocken). Le radical du prétérit change (erschrak) dans les emplois forts.