noun
voetganger
B1
Fußgänger (m., meervoud gelijk aan enkelvoud: Fußgänger) betekent ‘voetganger’. Mannelijk zelfstandig naamwoord; de meervoudsvorm ziet er hetzelfde uit als het enkelvoud, alleen het lidwoord verandert. Genitief: des Fußgängers; datief meervoud: den Fußgängern.
Voorbeelden
Der Fußgänger überquerte die Straße bei Rot.
De voetganger stak de straat over bij rood licht.
Der Fußgänger überquerte die Straße an der Ampel.
De voetganger stak de straat over bij het verkeerslicht.
Die Stadt plante breitere Gehwege, damit die Fußgänger abends sicherer gehen könnten.
De stad plande bredere stoepen, zodat voetgangers ’s avonds veiliger konden lopen.
Details
Ezelsbruggetjes
Imaginez quelqu’un qui marche sur le trottoir avec un panneau de piéton.
Foot + « gänger » ressemble à « goer » — un marcheur à pied = un piéton.
Masculin : « der Fußgänger » — pensez à « der Mann » (homme).
Opmerkingen
Forme masculine pour un piéton de sexe masculin ; la forme féminine est « Fußgängerin ». Le pluriel est « Fußgänger ».