noun
voertuig
B1
Fahrzeug (o.) betekent ‘voertuig’: elk vervoermiddel. Meervoud: Fahrzeuge. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord met regelmatige verbuiging; genitief vaak des Fahrzeugs, datief meervoud den Fahrzeugen. Veel gebruikt in technische en formele taal.
Voorbeelden
Die Feuerwehr rückte aus, weil ein Fahrzeug in Brand geriet, und sie löschte das Feuer schnell.
De brandweer rukte uit omdat een voertuig in brand was gevlogen, en bluste de brand snel.
Ich habe ein Fahrzeug.
Ik heb een voertuig.
Das Fahrzeug parkte vor dem Haus.
Het voertuig stond geparkeerd voor het huis.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een generieke voertuigsilhouet voor op een verkeersbord.
Klinkt als „far-zoom” — stel je een voertuig voor dat ver weg zoeft.
das (onzijdig) — onthoud „das Fahrzeug” door aan „das” als het labeltje bij voorwerpen te denken.
Opmerkingen
Een algemene term voor elk vervoermiddel. In alledaags taalgebruik is „Auto” gebruikelijker voor „auto”.