noun
fiets, rijwiel
A1
Fahrrad betekent ‘fiets’. Het is een onzijdig zelfstandig naamwoord: das Fahrrad. Meervoud: die Fahrräder, met umlaut. Genitief enkelvoud: des Fahrrads. Veelgebruikte uitdrukking: mit dem Fahrrad fahren = fietsen. Let op de onregelmatige meervoudsvorm op -er.
Voorbeelden
Ich fahre mit dem Fahrrad.
Ik fiets.
Das Fahrrad wurde gestohlen, obwohl der Besitzer ein gutes Schloss am Rahmen befestigt hatte.
De fiets werd gestolen, hoewel de eigenaar een goed slot aan het frame had bevestigd.
Mein Fahrrad ist rot und steht im Hof.
Mijn fiets is rood en staat op de binnenplaats.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee wielen en een frame voor met het label ‘Fahrrad’.
Fahrrad klinkt een beetje als ‘far road’ — denk aan een fiets op de weg.
das — denk aan ‘das Rad’ (het wiel) om het onzijdig te onthouden.