verb
te binnen schieten, invallen, instorten
B1
einfallen is een sterk, scheidbaar werkwoord met klinkerwisseling a→ä; perfect: ist eingefallen, voltooid deelwoord: eingefallen. Belangrijkste betekenissen: “te binnen schieten” en “instorten/ineenzakken”. In de betekenis “te binnen schieten” gebruik je de datief: jemandem fällt etwas ein.
Voorbeelden
Dem Lehrer fiel plötzlich die Lösung ein, als die Schüler eine ähnliche Aufgabe lösten.
De leraar schoot plotseling de oplossing te binnen toen de leerlingen een soortgelijke opgave oplosten.
Mir fiel bei der Prüfung nichts ein.
Tijdens het examen schoot me niets te binnen.
Ihm fiel der Name nicht ein.
Hij kon niet op de naam komen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een idee voor dat in iemands hoofd valt (voor «te binnen schieten») en een dak dat naar binnen instort (voor «instorten»).
Klinkt als «in-fall» — een gedachte valt in de geest.
Opmerkingen
« einfallen » is scheidbaar: in hoofdzin scheidt het voorvoegsel « ein » zich (« er fällt mir ein »). Voor de betekenis «te binnen schieten» staat de persoon die iets bedenkt meestal in de datief (mir, dir, ihm...). Voor de fysieke betekenis «instorten» wordt in de voltooide tijden « sein » gebruikt (« ist eingefallen »). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.