einfallen

verb
te binnen schieten, invallen, instorten
B1

einfallen is een sterk, scheidbaar werkwoord met klinkerwisseling a→ä; perfect: ist eingefallen, voltooid deelwoord: eingefallen. Belangrijkste betekenissen: “te binnen schieten” en “instorten/ineenzakken”. In de betekenis “te binnen schieten” gebruik je de datief: jemandem fällt etwas ein.

Voorbeelden

Dem Lehrer fiel plötzlich die Lösung ein, als die Schüler eine ähnliche Aufgabe lösten.
De leraar schoot plotseling de oplossing te binnen toen de leerlingen een soortgelijke opgave oplosten.
Mir fiel bei der Prüfung nichts ein.
Tijdens het examen schoot me niets te binnen.
Ihm fiel der Name nicht ein.
Hij kon niet op de naam komen.

Details

Hulpwerkwoordsein
ScheidbaarJa
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
StamveranderingenStem vowel alternations: present a -> ä (du fällst, er fällt), simple past 'fiel', participle 'eingefallen'.

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es fällt ein
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es fiel ein
Perfekter/sie/es ist eingefallen

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je een idee voor dat in iemands hoofd valt (voor «te binnen schieten») en een dak dat naar binnen instort (voor «instorten»).
👂Klinkt als «in-fall» — een gedachte valt in de geest.

Opmerkingen

« einfallen » is scheidbaar: in hoofdzin scheidt het voorvoegsel « ein » zich (« er fällt mir ein »). Voor de betekenis «te binnen schieten» staat de persoon die iets bedenkt meestal in de datief (mir, dir, ihm...). Voor de fysieke betekenis «instorten» wordt in de voltooide tijden « sein » gebruikt (« ist eingefallen »). | Onovergankelijk werkwoord; passieve vormen zijn niet van toepassing.

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichfalle ein
dufällst ein
er/sie/esfällt ein
wirfallen ein
ihrfallt ein
sie/Siefallen ein
ichfalle ein
dufallest ein
er/sie/esfalle ein
wirfallen ein
ihrfallet ein
sie/Siefallen ein
ichfiele ein
dufielest ein
er/sie/esfiele ein
wirfielen ein
ihrfielet ein
sie/Siefielen ein
duFalle ein
ihrFallt ein
SieFallen ein