adjective
eenvoudig, makkelijk
A1
einfach betekent ‘eenvoudig’, ‘makkelijk’ of ‘gewoon’. Het is een gradabel bijvoeglijk naamwoord: einfacher, am einfachsten. In de praktijk wordt het ook vaak bijwoordelijk gebruikt. Tegenstellingen: schwierig, kompliziert.
Voorbeelden
Der Plan blieb erfolgreich, obwohl er einfach gestaltet war, damit jeder ihn verstehen konnte.
Het plan bleef succesvol, hoewel het eenvoudig was opgezet zodat iedereen het kon begrijpen.
Die Aufgabe ist einfach zu lösen.
De taak is eenvoudig op te lossen.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je één (ein) ding voor dat makkelijk te doen is — dat is ‘einfach’.
Klinkt als Engels ‘in fact’ achterstevoren — denk ‘einfach’ = eenvoudig.
Opmerkingen
Kan afhankelijk van de context ‘eenvoudig’ of ‘makkelijk’ betekenen. Regelmatige vergrotende en overtreffende trappen beschikbaar.