noun
oprit, inrit, voertuigtoegang
B1
Einfahrt (v.) betekent ‘oprit’, ‘inrit’ of ‘toegang voor voertuigen’. Het meervoud is Einfahrten. Veelgebruikte combinaties zijn in die Einfahrt fahren en Einfahrt freihalten. Het is een regelmatig vrouwelijk zelfstandig naamwoord, zonder klinkerverandering in het meervoud.
Voorbeelden
Die Einfahrt zum Haus ist sehr schmal.
De oprit naar het huis is erg smal.
Bitte blockieren Sie nicht die Einfahrt.
Blokkeer de oprit alstublieft niet.
Die Nachbarn sperrten die Einfahrt ab, damit keine Autos mehr dort parkten.
De buren blokkeerden de oprit zodat er daar geen auto’s meer zouden parkeren.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een auto voor die ‘in’ door een poort een oprit oprijdt met het label «Einfahrt».
Klinkt als ‘in-fahrt’ — ‘in’ + ‘fahrt’ (rijden).
die — stel je een vrouw voor die de poort van de oprit opent om het vrouwelijke lidwoord te onthouden.
Opmerkingen
Gebruikt voor toegang voor voertuigen. «Einfahrt» (oprit/inrit voor voertuigen) verschilt van «Eingang» (ingang voor mensen).