adjective
dom, stom, suf
A2
dumm is een bijvoeglijk naamwoord en betekent „dom”, „stom” of „onverstandig”. Het is trapbaar: dümmer, am dümmsten. Je gebruikt het attributief en predicatief: er ist dumm, eine dumme Idee. Vaak negatief of beledigend, dus niet geschikt voor beleefde situaties.
Voorbeelden
Das war eine dumme Idee.
Dat was een dom idee.
Er fühlt sich manchmal dumm, wenn er etwas nicht versteht.
Hij voelt zich soms dom als hij iets niet begrijpt.
Obwohl der Fehler dumm gewesen war, entschuldigten sich die Beteiligten, nachdem sie die Ursache erkannt hatten.
Hoewel de fout dom was geweest, boden de betrokkenen hun excuses aan nadat ze de oorzaak hadden herkend.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een dom cartoonfiguurtje voor dat een domme fout maakt.
Klinkt als het Engelse ‘dumb’ — onthoud: ‘dumm’ = dom.