verb
braden, bakken
A2
braten betekent ‘braden’ of ‘bakken’: voedsel garen in vet of met droge hitte. Het is een sterk, onregelmatig werkwoord: er brät, Präteritum briet, Partizip II gebraten. Perfekt met haben. Meestal transitief: etwas braten.
Voorbeelden
Sie briet die Kartoffeln.
Ze bakte de aardappelen.
Kannst du das Gemüse in der Pfanne braten?
Kun je de groenten in de pan bakken?
Wir wollen das Hähnchen im Ofen braten.
We willen de kip in de oven braden.
Details
Ezelsbruggetjes
Imaginez le changement de radical : un petit « a » qui devient « ä » dans les formes du du/er.
Ça ressemble à « braid » mais pensez à « braten » = « brunir/chauffer » (rôtir ou frire).