backen

verb
bakken
A2

backen betekent ‘bakken, in de oven bereiden’. Het is een sterk en onregelmatig werkwoord: Präteritum buk of backte, voltooid deelwoord gebacken, regionaal ook gebackt. Het perfectum wordt gevormd met haben. Tegenwoordige tijd: ich backe / bäcke, du bäckst. Niet scheidbaar en niet wederkerend.

Voorbeelden

Ich backe heute einen Apfelkuchen.
Ik bak vandaag een appeltaart.
Ich habe einen Kuchen gebacken.
Ik heb een cake gebakken.
Die Bäckerin buk einen Kuchen, weil die Kunden frische Brötchen wollten.
De bakkerin bakte een cake omdat de klanten verse broodjes wilden.

Details

Hulpwerkwoordhaben
ScheidbaarNee
RegelmatigNee
Werkwoordtypestrong
Stamveranderingena -> u (historically: backen - buk - gebacken)

Hoofdsvormen

Präsens (3. Sg.)er/sie/es backt/bäckt
Präteritum (3. Sg.)er/sie/es buk/backte
Perfekter/sie/es hat gebacken/gebackt

Ezelsbruggetjes

👂Klinkt als het Engelse «back» — je «duwt» iets de oven in (stel je voor dat je deeg in de hitte duwt).

Opmerkingen

«backen» heeft onregelmatige vormen in de verleden tijd en het voltooid deelwoord (historisch: buk / gebacken). In het dagelijks taalgebruik hoor je vaak «gebacken» als voltooid deelwoord (Perfekt).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek

ichbacke/bäcke
dubackst/bäckst
er/sie/esbackt/bäckt
wirbacken
ihrbackt
sie/Siebacken
ichwerde gebacken
duwirst gebacken
er/sie/eswird gebacken
wirwerden gebacken
ihrwerdet gebacken
sie/Siewerden gebacken
ichbacke
dubackest
er/sie/esbacke
wirbacken
ihrbacket
sie/Siebacken
ichwerde gebacken
duwerdest gebacken
er/sie/eswerde gebacken
wirwerden gebacken
ihrwerdet gebacken
sie/Siewerden gebacken
ichbäke
dubäkest
er/sie/esbäke
wirbäken
ihrbäket
sie/Siebäken
ichwürde gebacken
duwürdest gebacken
er/sie/eswürde gebacken
wirwürden gebacken
ihrwürdet gebacken
sie/Siewürden gebacken
duBacke!/Back!
ihrBackt!
SieBacken Sie!