verb
bakken
A2
backen betekent ‘bakken, in de oven bereiden’. Het is een sterk en onregelmatig werkwoord: Präteritum buk of backte, voltooid deelwoord gebacken, regionaal ook gebackt. Het perfectum wordt gevormd met haben. Tegenwoordige tijd: ich backe / bäcke, du bäckst. Niet scheidbaar en niet wederkerend.
Voorbeelden
Ich backe heute einen Apfelkuchen.
Ik bak vandaag een appeltaart.
Ich habe einen Kuchen gebacken.
Ik heb een cake gebakken.
Die Bäckerin buk einen Kuchen, weil die Kunden frische Brötchen wollten.
De bakkerin bakte een cake omdat de klanten verse broodjes wilden.
Details
Ezelsbruggetjes
Klinkt als het Engelse «back» — je «duwt» iets de oven in (stel je voor dat je deeg in de hitte duwt).
Opmerkingen
«backen» heeft onregelmatige vormen in de verleden tijd en het voltooid deelwoord (historisch: buk / gebacken). In het dagelijks taalgebruik hoor je vaak «gebacken» als voltooid deelwoord (Perfekt).