adjective
boos, slecht
A1
böse is een bijvoeglijk naamwoord en betekent afhankelijk van de context ‘slecht’, ‘gemeen’ of ‘boos’. Het is trapbaar: böser, am bösesten. Je gebruikt het attributief en predicatief: ein böser Mensch, er ist böse. Veelvoorkomend in alledaags Duits.
Voorbeelden
Die Nachbarn waren böse, weil jemand den Baum ohne Erlaubnis fällte.
De buren waren boos omdat iemand de boom zonder toestemming had omgehakt.
Er ist böse, weil sein Computer kaputt ist.
Hij is boos omdat zijn computer kapot is.
In der Geschichte war der Bösewicht wirklich böse.
In het verhaal was de schurk echt slecht.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een klein cartoongezicht voor met stoom uit de oren, gelabeld „böse” (boos), en een donkere schaduw gelabeld „evil”.
Klinkt als „boast” — stel je luid opscheppen in woede voor om boosheid te onthouden.
Opmerkingen
Böse kan „boos” betekenen (tijdelijke emotie) of „slecht / kwaadaardig” (morele kwaliteit). Let op de context. Het is trapbaar (böser, am bösesten).