verb
breken, stukmaken, verbreken
B1
brechen is een sterk, onregelmatig werkwoord en betekent ‘breken’ of ‘splijten’. Tegenwoordige tijd: du/er brichst/bricht, Präteritum brach, voltooid deelwoord gebrochen. Perfect met haben. Ook figuurlijk gebruikt.
Voorbeelden
Er brach sich beim Unfall ein Bein.
Hij brak zijn been bij het ongeluk.
Das Glas brach, als der Kellner es fallen ließ, und Scherben verteilten sich auf dem Boden.
Het glas brak toen de ober het liet vallen, en scherven verspreidden zich over de vloer.
Ich habe mein Versprechen gebrochen.
Ik heb mijn belofte gebroken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een takje voor dat in tweeën knapt met een duidelijke krak terwijl je ‘brechen’ zegt.
Klinkt als ‘break’ zonder de ‘in’ — denk: ‘brechen’ = breken.
Opmerkingen
Een sterk (onregelmatig) werkwoord. Vaak transitief (neemt een lijdend voorwerp). In sommige onovergankelijke contexten kunnen andere constructies worden gebruikt (zoals «zerbrechen»).