verb
nodig hebben, behoeven
A1
brauchen is een regelmatig werkwoord en betekent ‘nodig hebben’. Het neemt meestal een lijdend voorwerp in de accusatief: ich brauche dich. In het perfectum: habe gebraucht. In de Konjunktiv II komt bräuchte voor. Niet scheidbaar en niet wederkerig.
Voorbeelden
Die Firma brauchte mehr Mitarbeiter, weil die Produktion im letzten Quartal stark gestiegen war.
Het bedrijf had meer medewerkers nodig omdat de productie in het laatste kwartaal sterk was gestegen.
Er brauchte mehr Zeit.
Hij had meer tijd nodig.
Ich habe das nicht gebraucht.
Ik had dat niet nodig.
Details
Ezelsbruggetjes
visualiseer dat je een gereedschap uit een gereedschapskist nodig hebt (brauchen)
brauchen ~ ‘browse’ (niet echt vergelijkbaar) — denk aan ‘I need to browse’ als geheugensteun
Opmerkingen
Een regelmatig (zwak) werkwoord. Wordt vaak gebruikt op een vergelijkbare manier als het Engelse ‘need’.