verb
voorbereiden, klaarmaken, zich voorbereiden
A2
vorbereiten betekent ‘voorbereiden’, ‘klaarmaken’ of ‘organiseren’. Het is een scheidbaar werkwoord: bereiten ... vor. In het perfekt gebruikt het haben. Het kan transitief zijn (Ich bereite das Zimmer vor) of wederkerig: sich vorbereiten = zich voorbereiden op iets.
Voorbeelden
Ich bereite das Abendessen vor.
Ik ben het avondeten aan het voorbereiden.
Sie bereitet sich auf die Prüfung vor.
Ze bereidt zich voor op het examen.
Wir haben alles vorbereitet.
We hebben alles voorbereid.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat je alle spullen (vor) op een tafel neerlegt en netjes ordent — je bent alles aan het „vorbereiten” (voorbereiden).
Klinkt een beetje als „voor-bey-rit-en” — denk aan „voor (vor) + bay + ready” om je het voorbereiden van tevoren te herinneren.
Opmerkingen
vorbereiten is een scheidbaar werkwoord (het voorvoegsel „vor-” scheidt zich in de persoonsvormen). Het kan transitief gebruikt worden (jemanden/etwas vorbereiten = iets/iemand voorbereiden) of wederkerend (sich vorbereiten = zich voorbereiden). In de voltooide tijden gebruikt het hulpwerkwoord „haben” (bijv. „ich habe vorbereitet”).