bös

adjective
slecht, boos, kwaadaardig
A1

bös is een bijvoeglijk naamwoord, verwant aan böse, en betekent afhankelijk van de context „slecht”, „gemeen”, „kwaadaardig” of „boos”. Het is trapbaar: böser, am bösesten. De verbuiging volgt de gewone Duitse adjectiefregels.

Voorbeelden

Der Hund ist nicht bös, er hat nur Angst.
De hond is niet gemeen, hij is alleen bang.
Sie war sehr bös über die Nachricht.
Ze was erg boos over het nieuws.
Er wirkte bös, weil seine Worte scharf waren.
Hij leek boos, omdat zijn woorden scherp waren.

Details

VergelijkbaarJa
Vergrotende trapböser
Overschrijvende trapam bösesten
Voltooid deelwoordNee

Ezelsbruggetjes

👁️Visualiseer een boos gezicht met een kleine «o»-mond om «bös» (boos/gemeen) te onthouden.
👂«bös» ~ «boas» (denk aan een sissend geluid — gemeen/kwaadaardig).

Opmerkingen

«bös» is wat literair; in alledaagse taal is «böse» gebruikelijker. Vergrotende trap: «böser», overtreffende trap: «am bösesten».

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek