adjective
slecht, boos, kwaadaardig
A1
bös is een bijvoeglijk naamwoord, verwant aan böse, en betekent afhankelijk van de context „slecht”, „gemeen”, „kwaadaardig” of „boos”. Het is trapbaar: böser, am bösesten. De verbuiging volgt de gewone Duitse adjectiefregels.
Voorbeelden
Der Hund ist nicht bös, er hat nur Angst.
De hond is niet gemeen, hij is alleen bang.
Sie war sehr bös über die Nachricht.
Ze was erg boos over het nieuws.
Er wirkte bös, weil seine Worte scharf waren.
Hij leek boos, omdat zijn woorden scherp waren.
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer een boos gezicht met een kleine «o»-mond om «bös» (boos/gemeen) te onthouden.
«bös» ~ «boas» (denk aan een sissend geluid — gemeen/kwaadaardig).
Opmerkingen
«bös» is wat literair; in alledaagse taal is «böse» gebruikelijker. Vergrotende trap: «böser», overtreffende trap: «am bösesten».