verb
beschadigen, beschadigen, schaden
B1
beschädigen is een regelmatig, niet-scheidbaar en transitief werkwoord met haben: hat beschädigt. Betekent “beschadigen, vernielen, schade toebrengen”, letterlijk of figuurlijk. Vaak gebruikt in de lijdende vorm: wird beschädigt / ist beschädigt worden.
Voorbeelden
Der Sturm beschädigte mehrere Fahrzeuge, sodass die Besitzer Reparaturen beantragten, obwohl Versicherungsfragen offen blieben.
De storm beschadigde meerdere voertuigen, waardoor de eigenaren reparaties aanvroegen, hoewel verzekeringskwesties onopgelost bleven.
Das Auto ist beschädigt worden.
De auto is beschadigd.
Rauchen kann die Gesundheit beschädigen.
Roken kan uw gezondheid schaden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een gedeukte auto of een gebroken vaas voor wanneer je het werkwoord hoort.
Denk aan «be-shade-igen» — stel je voor dat schaduw schade veroorzaakt; dit koppelt aan «damage».
Opmerkingen
Wordt meestal gebruikt voor fysieke schade, maar ook figuurlijk (bijv. reputatie).