verb
to calm, to soothe
B1
beruhigen: regelmatig, niet-scheidbaar werkwoord met de betekenis ‘kalmeren’ of reflexief ‘tot rust komen’. Perfekt met haben: hat beruhigt. Het kan transitief of wederkerend gebruikt worden: jemanden beruhigen / sich beruhigen.
Voorbeelden
Ich beruhige das Kind.
Ik stel het kind gerust.
Die Ärztin beruhigte die Patientin, weil die Risiken zuvor deutlich erklärt wurden.
De arts stelde de patiënte gerust, omdat de risico's van tevoren duidelijk waren uitgelegd.
Die Mutter versucht, das weinende Kind zu beruhigen.
De moeder probeert het huilende kind te kalmeren.
Details
Ezelsbruggetjes
Picture a soft hand gently patting someone's shoulder with the word 'beruhigen' floating above.
Sounds like 'bear-OO-he-gen' — imagine saying 'be calm, you gen' to calm someone.
Opmerkingen
A regular (weak) transitive verb. Often used with direct objects (jemanden beruhigen) or reflexively (sich beruhigen) when someone calms down themselves.