verb
hinderen, belemmeren, obstrueren, dwarsbomen
B1
behindern betekent ‘hinderen’, ‘belemmeren’ of ‘dwarsbomen’. Het is een regelmatig zwak werkwoord met haben. Het is transitief en krijgt een lijdend voorwerp in de accusatief: jemanden/etwas behindern. Niet wederkerig en niet scheidbaar; vaak in formele contexten.
Voorbeelden
Die Bauarbeiten haben den Fluss behindert.
De bouwwerkzaamheden hebben de stroming van de rivier belemmerd.
Seine Anwesenheit hat den Austausch nicht behindert.
Zijn aanwezigheid heeft de uitwisseling niet belemmerd.
Der starke Schneefall behinderte die Lieferwagen, weil die Straßen nicht geräumt waren.
De zware sneeuwval hinderde de bestelwagens, omdat de wegen niet waren geruimd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je iemand voor die achter een deur staat en die blokkeert, waardoor doorgang fysiek wordt verhinderd.
Klinkt als «behind + ern» — denk aan ‘achter’ iemand staan zodat die niet kan bewegen.
Opmerkingen
Wordt meestal transitief gebruikt (iemand/iets hindert iemand/iets). Niet verwarren met «hindern an + datief» (iemand ervan weerhouden iets te doen) — die constructie gebruikt het voorzetsel «an».