noun
boom
A1
Baum (m.) betekent ‘boom’, een meerjarige houtige plant. Meervoud: Bäume, met umlaut. Genitief: des Baumes, ook des Baums. Verder regelmatige verbuiging. Een heel basiswoord, vaak gebruikt in samenstellingen.
Voorbeelden
Als der Sturm kam, fiel ein großer Ast vom Baum auf die Straße, sodass die Feuerwehr die Straße sperrte.
Toen de storm kwam, viel een grote tak van de boom op de weg, zodat de brandweer de weg afsloot.
Der Baum ist sehr hoch.
De boom is erg hoog.
Im Garten stehen drei Bäume.
Er staan drie bomen in de tuin.
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer een grote boom met bladeren waarop B-A-U-M staat.
der Baum — stel je een lange man (der) voor als een boom.