Baum

noun
boom
A1

Baum (m.) betekent ‘boom’, een meerjarige houtige plant. Meervoud: Bäume, met umlaut. Genitief: des Baumes, ook des Baums. Verder regelmatige verbuiging. Een heel basiswoord, vaak gebruikt in samenstellingen.

Voorbeelden

Als der Sturm kam, fiel ein großer Ast vom Baum auf die Straße, sodass die Feuerwehr die Straße sperrte.
Toen de storm kwam, viel een grote tak van de boom op de weg, zodat de brandweer de weg afsloot.
Der Baum ist sehr hoch.
De boom is erg hoog.
Im Garten stehen drei Bäume.
Er staan drie bomen in de tuin.

Details

MeervoudBäume

Verbuiging

NaamvalEnkelvoudMeervoud
nominativeder Baumdie Bäume
genitivedes Baumesder Bäume
dativedem Baumden Bäumen
accusativeden Baumdie Bäume

Ezelsbruggetjes

👁️Visualiseer een grote boom met bladeren waarop B-A-U-M staat.
⚧️der Baum — stel je een lange man (der) voor als een boom.

Categorie

Woordenschatverkenner

In de buurt in het woordenboek