verb
verplaatsen, uitstellen, verschuiven
A2
Werkwoord met de betekenis ‘verplaatsen’, ‘opschuiven’ of ‘uitstellen’. Het kan gaan om een concrete verplaatsing of om het verzetten van een afspraak: einen Termin verschieben. Sterk onregelmatig werkwoord: verschob, verschoben; met haben; niet-scheidbaar.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er verschob das Treffen.
Hij stelde de vergadering uit.
Der Termin ist verschoben worden.
De afspraak is verzet.
Kannst du den Termin verschieben?
Kun je de afspraak verzetten?
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je voor dat je een gebeurtenis op een kalender met je muis naar een latere datum sleept.
Denk aan ‘shift’ (verplaatsen) — ‘verschieben’ heeft een vergelijkbaar idee van ‘shift / postpone’.
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
Verschieben is onscheidbaar (voorvoegsel ver-) en wordt vaak gebruikt voor zowel het uitstellen van gebeurtenissen als het fysiek verplaatsen van objecten. Het is een onregelmatig/sterk werkwoord: verschieben — verschob — verschoben. Niet-reflexief; in de voltooide tijden gebruik je «haben».