noun
buik, maag, onderbuik
A1
Bauch (de) betekent ‘buik’ of ‘onderbuik’; in de omgangstaal soms ook ‘maag’. Mannelijk zelfstandig naamwoord: der Bauch, meervoud: die Bäuche. Genitief enkelvoud: des Bauches. Komt vaak voor in samenstellingen zoals Bauchschmerzen en Bauchgefühl.
Voorbeelden
Der Patient klagte, weil er am Bauch Schmerzen verspürte, sodass der Arzt sofort weitere Tests anordnete.
De patiënt klaagde omdat hij buikpijn had, zodat de arts onmiddellijk verdere tests liet uitvoeren.
Mein Bauch tut weh.
Mijn buik doet pijn.
Nach dem Essen hatte er einen vollen Bauch.
Na de maaltijd had hij een volle buik.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een ronde „boog” rond je middel voor als een riem die je buik benadrukt.
Klinkt een beetje als „bough” (boomtak) — stel je een tak voor die op je buik drukt.
mannelijk — stel je een man (der) voor die zijn buik vasthoudt om het mannelijke geslacht te onthouden
Opmerkingen
Komt vaak voor in samenstellingen zoals Bauchschmerzen (buikpijn). De genitief is vaak des Bauches of des Bauchs (beide worden gebruikt).