noun
kaart, pas, plattegrond
A1
Karte betekent ‘kaart’ of ‘kaartje’, afhankelijk van de context: bankkaart, speelkaart of landkaart. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Karte, meervoud die Karten. De verbuiging is regelmatig. Komt ook voor in samenstellingen zoals Speisekarte en Landkarte.
Voorbeelden
Ich habe eine Karte.
Ik heb een kaart.
Die Touristen zeigten die Karte dem Polizisten, weil sie den Weg nicht fanden.
De toeristen lieten de kaart aan de politieagent zien, omdat ze de weg niet konden vinden.
Hast du meine Karte gesehen?
Heb je mijn kaart gezien?
Details
Ezelsbruggetjes
Visualiseer een kaart of speelkaart met het label 'die Karte'
klinkt als Engels 'cart' maar eindigt op -e; associeer met 'card'
Opmerkingen
Kan afhankelijk van de context 'kaart' (bankkaart, speelkaart) of 'kaart/plattegrond' betekenen.