verb
afdrukken, uitprinten
B1
ausdrucken: scheidbaar werkwoord met de betekenis ‘afdrukken’ of ‘uitprinten’. Het is zwak; perfect met haben: ich habe ausgedruckt. In de tegenwoordige tijd scheidt het voorvoegsel zich: ich drucke das aus. Voltooid deelwoord: ausgedruckt.
Voorbeelden
Der Assistent druckte die Formulare aus, bevor die Sitzung begann, weil das Team die Unterlagen benötigte.
De assistent drukte de formulieren af voordat de vergadering begon, omdat het team de documenten nodig had.
Ich habe die Tickets ausgedruckt.
Ik heb de tickets afgedrukt.
Ich drucke das Dokument aus.
Ik print het document uit.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een printer voor die een pagina naar buiten («aus») duwt terwijl hij print.
Denk aan «out + print» → «ausdrucken» = afdrukken.
Opmerkingen
Een scheidbaar werkwoord: in hoofdzin scheidt het voorvoegsel «aus» zich af (ich drucke das Dokument aus). Vaak gebruikt in contexten met printers en computers.