noun
afrit, uitgang, uitrit
B1
Ausfahrt betekent ‘uitrit’ of ‘afrit’, vooral bij wegen en snelwegen. Niet te verwarren met Ausgang. Het is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord: die Ausfahrt. Meervoud: die Ausfahrten; genitief: der Ausfahrt. Veel gebruikt op verkeersborden, zoals ‘Ausfahrt freihalten’.
Voorbeelden
Der Fahrer verpasste die Ausfahrt, weil die Beschilderung fehlte, sodass er mehrere Kilometer weiterfahren musste.
De bestuurder miste de afrit omdat de bewegwijzering ontbrak, zodat hij nog enkele kilometers verder moest rijden.
Die Ausfahrt zur Stadt ist wegen Bauarbeiten gesperrt.
De afrit naar de stad is afgesloten wegens werkzaamheden.
Nehmen Sie die nächste Ausfahrt, um zum Ziel zu gelangen.
Neem de volgende afrit om uw bestemming te bereiken.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je een snelwegbord voor met «Ausfahrt» waar auto’s de weg af rijden
Klinkt als «out-fahrt» — denk aan «uit rijden» (fahrt = rijden)
Die = vrouwelijk; stel je een bord voor met een vrouwelijk symbool dat bestuurders naar de afrit wijst
Opmerkingen
Verwijst vooral naar een uitrit voor voertuigen (bijv. afrit van de snelweg). Niet te verwarren met «Einfahrt» (inrit).