adverb
uit elkaar, apart, gescheiden
B1
auseinander is een bijwoord met de betekenis „uit elkaar”, „apart” of „gescheiden”. Het wordt niet verbogen. Het komt ook voor als deel van scheidbare werkwoorden, zoals auseinandernehmen en auseinandergehen, en drukt ruimtelijke of procesmatige scheiding uit.
Voorbeelden
Die beiden Teile fielen auseinander.
De twee delen vielen uit elkaar.
Die Familie lebt seit Jahren auseinander.
Het gezin leeft al jaren apart.
Die Bretter fielen auseinander, als der Sturm stärker wurde, sodass das Dach kurzfristig repariert werden musste.
De planken vielen uit elkaar toen de storm sterker werd, zodat het dak met spoed gerepareerd moest worden.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je twee puzzelstukjes voor die van elkaar worden weggetrokken om ‘uit elkaar’ te tonen
Klinkt als ‘ow-sigh-NAH’ — leg de nadruk op het laatste deel om scheiding te onthouden
Opmerkingen
Wordt vaak gebruikt om fysieke scheiding aan te geven of mensen die apart wonen/werken. Het kan samengaan met werkwoorden (bijv. auseinanderfallen, auseinandergehen).