auseinander

adverb
uit elkaar, apart, gescheiden
B1

auseinander is een bijwoord met de betekenis „uit elkaar”, „apart” of „gescheiden”. Het wordt niet verbogen. Het komt ook voor als deel van scheidbare werkwoorden, zoals auseinandernehmen en auseinandergehen, en drukt ruimtelijke of procesmatige scheiding uit.

Voorbeelden

Die beiden Teile fielen auseinander.
De twee delen vielen uit elkaar.
Die Familie lebt seit Jahren auseinander.
Het gezin leeft al jaren apart.
Die Bretter fielen auseinander, als der Sturm stärker wurde, sodass das Dach kurzfristig repariert werden musste.
De planken vielen uit elkaar toen de storm sterker werd, zodat het dak met spoed gerepareerd moest worden.

Details

Typelocal

Ezelsbruggetjes

👁️Stel je twee puzzelstukjes voor die van elkaar worden weggetrokken om ‘uit elkaar’ te tonen
👂Klinkt als ‘ow-sigh-NAH’ — leg de nadruk op het laatste deel om scheiding te onthouden

Opmerkingen

Wordt vaak gebruikt om fysieke scheiding aan te geven of mensen die apart wonen/werken. Het kan samengaan met werkwoorden (bijv. auseinanderfallen, auseinandergehen).

Categorie

Woordenschatverkenner

Gerelateerde woorden

In de buurt in het woordenboek