verb
bedienen, hanteren, serveren
B1
bedienen betekent ‘bedienen’, ‘besturen’ of ‘gebruiken’. Je gebruikt het voor apparaten, machines en klantenservice. Het kan niet-reflexief zijn (ein Gerät bedienen) of reflexief: sich bedienen = zich bedienen van iets / iets pakken. Zwak werkwoord met haben.
VOCABULARY.DETAILS.EXAMPLES
Er bediente die Maschine.
Hij bediende de machine.
Ich habe mich selbst bedient.
I served myself.
Kannst du die Maschine bedienen?
Kun je de machine bedienen?
VOCABULARY.DETAILS.DETAILS_LABEL
VOCABULARY.DETAILS.MNEMONICS
Stel je handen voor die de bediening van een machine met het label ‘bedienen’ gebruiken.
klinkt als ‘be dinner’ — stel je voor dat je het diner serveert (serve).
VOCABULARY.DETAILS.NOTES
«bedienen» kan zowel transitief gebruikt worden (een apparaat bedienen) als wederkerend (sich bedienen = zichzelf bedienen). De context bepaalt of het om apparatuur bedienen of iemand bedienen gaat.