adverb
vooruit, vooraan, van tevoren
B1
voraus betekent vooral ‘vooruit’ in ruimtelijke zin en ‘van tevoren’ of ‘vooraf’ in tijdsbetekenis, zoals in im Voraus. Het is een onveranderlijk bijwoord en komt vaak voor in vaste uitdrukkingen. Geen voorzetsel nodig, niet wederkerend.
Voorbeelden
Er ging voraus und zeigte den Weg.
Hij liep voorop en wees de weg.
Der Bus fuhr voraus, sodass die Gruppe die Route früher fand, obwohl der Weg schwierig war.
De bus reed vooruit, zodat de groep de route eerder vond, hoewel het pad moeilijk was.
Details
Ezelsbruggetjes
stel je een persoon voor die vooraan in de rij loopt, met een pijl die vooruit wijst
klinkt als ‘va-roots’ — stel je iemand voor die ‘vooruit’ gaat en eerst de wortels plant
Opmerkingen
Vaak gebruikt in uitdrukkingen zoals ‘im Voraus’ (van tevoren) of om aan te geven dat iemand/iets vooraan staat.