verb
opruimen, netjes maken, ordenen
A2
aufräumen is een scheidbaar werkwoord en betekent ‘opruimen’ of ‘netjes maken’. Het is regelmatig: voltooid deelwoord aufgeräumt, perfect met haben. Het voorvoegsel auf- scheidt zich in de vervoeging: du räumst auf. Niet-reflexief.
Voorbeelden
Sie räumte die Küche auf.
Ze ruimde de keuken op.
Kannst du bitte die Küche aufräumen?
Kun je alsjeblieft de keuken opruimen?
Ich habe mein Büro aufgeräumt.
Ik heb mijn kantoor opgeruimd.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je dozen voor met labels ‘houden’ en ‘doneren’, en jij stopt spullen erin terwijl de kamer netjes wordt.
Denk aan ‘off-room’ — alsof je dingen van de vloer van een kamer haalt om op te ruimen.
Opmerkingen
Het werkwoord is scheidbaar: in hoofdzinnen gaat het voorvoegsel ‘auf’ naar het einde (bijv. ‘Ich räume auf’). In de voltooide tijd gebruikt het ‘haben’ + het voltooid deelwoord ‘aufgeräumt’. Het is een veelgebruikt transitief werkwoord voor schoonmaak- en opruimtaken.