verb
ophangen, hangen, ophangen aan
A2
hängen betekent vooral ‘iets ophangen / hangen’. Het is een zwak, overgankelijk werkwoord en vormt het perfect met haben: hat gehängt. Let op: er bestaat ook een onovergankelijke homoniem met de betekenis ‘hangen’, dat het perfect met sein vormt en het participium gehangen heeft. Geen vaste prepositie.
Voorbeelden
Er hängt das Bild an die Wand.
Hij hangt het schilderij aan de muur.
Der Verkäufer hängte die Jacken an die Wand, nachdem die Lieferung ankam, damit die Kunden sie sahen.
De verkoper hing de jassen aan de muur nadat de levering was aangekomen, zodat de klanten ze zagen.
Kannst du bitte die Jacke aufhängen?
Kun je de jas alsjeblieft ophangen?
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat iemand een schilderij aan de muur hangt (transitieve handeling).
Denk aan het Engelse «hang» — «hängen» lijkt erop, voeg gewoon «en» toe.
Opmerkingen
Deze ingang verwijst naar het transitieve gebruik van «hängen» (iets ophangen), dat meestal het preteritum met -te vormt (hängte) en het voltooid deelwoord «gehängt». Vergelijk met de intransitieve betekenis (sein hängen).