verb
afwassen, de afwas doen, afspoelen
B1
abwaschen is een scheidbaar en onregelmatig werkwoord met de betekenis ‘afwassen’ of ‘de vaat doen’. Hulpwerkwoord: haben; voltooid deelwoord: abgewaschen. In du/er verandert de stamklinker (du wäschst ab, er wäscht ab), en de verleden tijdstam is wusch-. Meestal transitief: das Geschirr abwaschen.
Voorbeelden
Sie hat das Geschirr abgewaschen.
Ze heeft de afwas gedaan.
Ich wasche das Geschirr ab.
Ik was de afwas.
Ich wasche das Geschirr nach dem Essen ab.
Ik was de afwas na het eten.
Details
Ezelsbruggetjes
Stel je voor dat iemand een bord schrobt terwijl hij «ab-wash» zegt — het «ab» haalt het vuil van het bord.
Denk aan «ab» + «wash» = afwassen; klinkt als «ab-wash-en» = afwassen / wegwassen.
Opmerkingen
Abwaschen is een scheidbaar werkwoord (tegenwoordige tijd: ich wasche ab). Het wordt vaak transitief gebruikt voor vaat of oppervlakken. Het voltooid deelwoord is «abgewaschen» en het werkwoord vormt de voltooide tijden normaal met «haben». In de spreektaal hoor je ook reflexieve gebruiken (sich abwaschen) in de betekenis zichzelf wassen of iets van de huid afwassen.